Instuderen, herhalen en controleren

shutterstock_184659839 (2)

De laatste stap bij het voorbereiden voor een examen, is het instuderen. Instuderen betekent eigenlijk twee dingen, namelijk memoriseren en nadien herhalen en controleren. Ga eerst na wat de docent precies verwacht. Moet je de leerstof letterlijk kunnen reproduceren of worden er eerder toepassingen gevraagd? Moet je zelf voorbeelden kunnen geven? Moet je oefeningen kunnen oplossen? Bekijk hiervoor zeker de ECTS-fiches van je opleidingsonderdelen en ga dit na bij de docent. Neem ook eens een kijkje bij de ‘soorten examenvragen’ als je meer uitleg wil over welke vragen er kunnen gesteld worden.

Memoriseren

Er zijn twee soorten leerstof, namelijk leerstof die je uit het hoofd leert, en leerstof die je moet begrijpen.

“Uit het hoofd leren” is enkel geschikt voor feitenkennis, woorden, formules, definities en losse gegevens. Dit zijn zaken die je gewoon van buiten moet kennen, die parate kennis zijn.

“Begrijpend leren” is belangrijk bij zaken die inzicht en begrip vragen, bij argumenten, redeneringen, relaties en samenhangende gegevens. Dergelijke zaken kun je niet louter reproduceren. Dit moet je begrijpen en kunnen uitleggen in je eigen woorden. Pas dan zal je dit kunnen toepassen in nieuwe situaties en kunnen tonen dat je de stof beheerst.

Tips voor het “uit het hoofd leren”:

  • Maak gebruik van lijsten (woordenlijsten, formulelijsten, definitielijsten,…) die je kan afdekken tijdens het studeren
  • Maak gebruik van flashcards. Aan de voorkant staat bijvoorbeeld een begrip of woord, en aan de achterkant de vertaling of uitleg. Je kan jezelf hiermee opvragen. Deze flashcards kan je bijvoorbeeld ook meenemen op de bus of trein en tussendoor snel bekijken. Al je flashcards steeds bij de hand? Probeer de digitale flashcardapps voor smartphone en tablet: Flashcards+, Quizlet of Tinycards.

Ezelsbruggetjes:

  • Maak associaties. Dit houdt in dat je een woord aan een beeld koppelt en dat beeld vervolgens aan de betekenis koppelt (bv: links – rechts, aan je linkerhand maak je met je duim de L van links)
  • Maak gebruik van letterwoorden. Dat zijn woorden die je maakt met de beginletters van een reeks woorden (bv: ROGGBIV = de kleuren van de regenboog)
  • Verzin een fantasierijk verhaal met de leerstof en/of woorden die je moet onthouden
  • Zoek relaties en verbindingen tussen woorden
  • Maak een liedje, gedichtje of rap van je leerstof (bv: ABC-liedje)

Voor het “begrijpend leren” zijn deze zaken onvoldoende. Hier moet je de leerstof echt gaan begrijpen door de stof te organiseren, relaties te leggen en verbanden te zoeken. Probeer de leerstof op te zeggen of te noteren alsof je het zou uitleggen aan iemand anders. Maak ook nieuwe oefeningen en voorzie eigen voorbeelden en toepassingen.

Je kan ook gebruik maken van Google en YouTube. Beide kanalen kunnen een grote hulp zijn wanneer je iets niet begrijpt, of als extra visuele ondersteuning. Let wel op: niet alles wat op het internet staat is correct. Wees kritisch!

Tips:

  • Stel jezelf de vraag of je alles wel begrijpt. Wees hierbij kritisch en ga er niet licht over!
  • Begin bij het ruimere plaatje van de leerstof, waarover gaat het? Ga steeds dieper en dieper in de stof. Zo leer je zowel het geheel, maar ook meer specifieke zaken.
  • Maak gebruik van je schema’s en mindmaps Deze zijn enerzijds een manier van verwerking, maar dit kan je ook gebruiken bij het instuderen en/of herhalen. Het louter maken van een schema en/of mindmap is echter onvoldoende om leerstof te memoriseren!
  • Gebruik je eigen woorden bij het opschrijven of opzeggen van de leerstof. Je kan bijvoorbeeld doen alsof je de stof zou uitleggen aan je ouders die er niets over weten.
  • Leg een link met andere opleidingsonderdelen, met wat je al weet van vroeger of en/of met je eigen leefwereld. Kijk bijvoorbeeld eens om je heen. Kan je enkele concepten of theorieën uitleggen aan de hand van wat er rondom je gebeurt? Zo zal je de stof veel beter kunnen opslaan in je geheugen.

Leerstijlen:

Elke student heeft zijn eigen leerstijl. Zo zijn sommigen onder jullie motorisch ingesteld. Dat betekent dat je studeert door te bewegen. Dit kan zijn door te schrijven, maar ook door bewegingen te maken of zelfs door rond te lopen tijdens het studeren. Anderen zijn eerder visueel en maken tekeningen of koppelen leerstof en mentale of fysieke beelden. Jullie zullen veel hebben aan het gebruik van kleuren en symbolen. Ten slotte kan je ook graag auditief werken. Dat betekent dat je goed kan studeren door te luisteren. Je kan bijvoorbeeld jezelf opnemen en nadien terug beluisteren.

Door dergelijke dingen uit te proberen kan je nagaan wat goed werkt voor jou. Je kan ook verschillende dingen doen voor verschillende opleidingsonderdelen of combinaties maken.

Herhalen en controleren

Herhalen dient actief te gebeuren! Dit betekent dat je beter opschrijft wat je herhaalt. Zo kan je heel concreet gaan kijken of je antwoord volledig is. Indien je de stof opzegt kan dit niet.

Wanneer doe je dit best? Zowel tijdens het studeren als nadien! Als je vaak tussendoor controleert dan zal je merken dat je de leerstof steeds beter onder de knie krijgt. Je zal achteraf minder tijd spenderen aan het controleren.

Veel van de zaken die je gebruikt om je leerstof in te studeren, kan je ook gebruiken bij het herhalen en controleren. Denk maar aan schema’s, mindmaps, extra afbeeldingen die je vindt op Google, flashcards,…  Maak dus gebruik van de zaken die je al hebt!

Tip: Maak gebruik van Toledo! Daar worden vaak oefeningen en voorbeeldexamens gegeven. Deze geven een goed beeld van hoe het examen er zal uitzien. Hiermee kan je ook jezelf controleren. Bekijk ook de doelen van het opleidingsonderdeel. Wat wil de docent dat je kan op het examen? Hiervoor kan je de ECTS-fiches en studiewijzer raadplegen.

Vragen over dit artikel?

Contacteer je studiebegeleider