Werkwoordspelling

werkwoorden

In een opdracht worden vaak werkwoordsfouten gemaakt. Om een verzorgde en professionele indruk te geven, maak je er best niet te veel. Daarom willen wij jullie een beetje vooruit helpen. Hieronder hebben we een kort overzicht gemaakt met de regels omtrent werkwoorden. Succes!

Persoonsvorm tegenwoordige tijd

werkwoorden tegenwoordige tijd

Vaak wordt er getwijfeld bij een tegenwoordige tijd wanneer een stam reeds eindigt op een -d of -t. Als je twijfelt welke uitgang je moet toevoegen, vervang het werkwoord dan eens door spelen en dan hoor je het.

Let op!
Bij de 2e persoon enkelvoud.  Als je/jij onderwerp is en als deze na de persoonsvorm staat, dan komt er geen -t bij. Je is onderwerp als je het kunt vervangen door jij.

Bijvoorbeeld: jij speelt, maar speel jij!
Let op: je speelt, maar wel speelt je broer (je broer is onderwerp, niet je)

Persoonsvorm verleden tijd zwakke werkwoorden

werkwoorden verleden tijd

1e manier om de juiste uitgang te weten:
Je kan het werkwoord langer maken. vb. speel -> speelde
Je schrijft wat je hoort

2e manier om de juiste uitgang te weten:
Je vormt de stam (ik-vorm) en je kijkt naar de laatste letter.
Is het een medeklinker van ‘t ex kofschip? +TE
Is het geen medeklinker van ‘t ex kofschip? +DE

OPGELET! Wederkerende werkwoorden (werkwoord met zich)

Bij wederkerende werkwoorden zit er een extra addertje onder het gras bij de u-vorm. Indien u achter het werkwoord staat, kan het zowel met -t als zonder -t geschreven worden. Afhankelijk of zich vermeld staat.

werkwoorden met zich

Oefeningen:

http://www.passito.be/index_bestanden/Page393.htm

Online uitleg 

Op youtube kan je ook korte filmpjes vinden waarin de werkwoordspelling nog eens opgefrist wordt. We hebben er hieronder enkele geselecteerd

Vragen over dit artikel?

Contacteer je studiebegeleider